Mijn Vader en uw Vader”

Jezus zeide tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader; maar ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vare op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God.
(Johannes 20:17)

Christus is opgewekt tot onze rechtvaardigmaking, zo schrijft Paulus in Romeinen 4:25. Nu Christus leeft, maakt Hij rechtvaardig op grond van Zijn kruisverdiensten. Hij maakt zondaren geschikt tot de omgang met God. Hoe Hij dat doet? Wel, Hij heeft Zijn bloed gestort en kan nu als de Opgestane vergeving van zonden uitdelen aan allen die, liggend in hun schuld, er om bedelen, omdat zij hun eigen schuld niet weg kunnen werken. Hij heeft gezorgd voor een vlekkeloze gehoorzaamheid aan Gods volmaakte wet en kan als de Opgestane Levensvorst zondaren bedekken met Zijn eigen werk. Zo worden ze in Hem volmaakt en tot het hart des Vaders gebracht.

Christus maakt zondaren geschikt voor de omgang met God. Dat betekent niet dat zij in zichzelf enige geschiktheid voor die omgang vinden of bewerken. Integendeel. Ze zien bij zichzelf zoveel onreinheid en onheiligheid, dat het voor hen vaak onmogelijk schijnt te zijn om omgang met God te kunnen oefenen. En toch…….. Ja, Christus maakt ook innerlijk geschikt. Door Zijn kracht, maakt Hij de dode zondaar levend. Hij vernieuwt hem door Zijn Geest en legt een nieuw levensbeginsel in het hart van allen dien in Hem geloven. Gods kinderen kunnen het er vaak niet voor houden, omdat ze zoveel van de oude Adam in zichzelf tegenkomen. Maar juist het feit dat ze daar zo’n last van hebben, laat zien dat ze vernieuwd zijn.

Hoe zouden de discipelen zich gevoeld hebben, nadat zij waren gevlucht en Jezus hadden verlaten? Hebben zij zichzelf waardig en geschikt geacht voor de omgang met God? Vast niet. Zij hadden hun Meester verlaten.

Hoe heerlijk moet dan dat woord van Jezus geklonken hebben uit de mond van Maria Magdalena: ‘Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God.’ Zij had het maar door te geven. Wat zal ze het graag hebben gedaan. Zo vertroost Christus Zijn jongeren met Zijn Woord, voordat Hij Zich aan hen vertoont. Hij bereidt hen van meet af aan voor op Zijn hemelvaart en leert de discipelen dat Hij bij hen blijft door Zijn Woord. ‘Ik ga heen tot Mijn Vader en uw Vader.’ Hiermee zegt Hij dat Hij hun broeder is en blijft. Dat is naar Zijn menselijke natuur. Hiermee bevestigt Hij het woord dat Hij al eerder gesproken had (Joh. 14:12; 28; 16:10). Datzelfde Woord mag hen steeds leren vrijmoedig ‘Vader’  te zeggen. In zichzelf zo ongeschikt, maar om Christus’ wille gebracht in de gemeenschap met God, zodat ze mogen zeggen, ‘Mijn God.’

Christus’ opstanding is het getuigenis van een volkomen verlossingswerk. Dat moet door Zijn gesproken Woord direct openbaar komen na Zijn opstanding. En dat Woord van God is nog altijd even krachtig. Zalig, wanneer wij Jezus’ stem zo hebben gehoord door het geloof.

Christus is opgegaan tot Zijn Vader om alle kinderen van Zijn Vader in de hemel te brengen in Zijn menselijke natuur en om als die grote Voorbidder zaligheid, bewaring en eeuwig leven voor hen te eisen.

Ach, wat hebben we redenen te over om onze harten opwaarts te verheffen. Ons leven is met Christus verborgen in God (Kol. 3:2). Als we een hemelse gezindheid hebben gekregen, dan zoeken we de hemelse Mens, Jezus Christus (1 Kor. 15:48). Waarom? Omdat Christus er Zelf de vrijmoedigheid toe gegeven heeft. ‘Ik ga heen tot Mijn Vader en tot uw Vader, en tot Mijn God en tot uw God.’ Amen.

M. van Sligtenhorst. V.D.M.